turbovaarbewijs manoeuvres varen
Inge Vos
10/06/2022
7 min
0

Manoeuvres varen

10/06/2022
7 min
0

Als je gaat varen dan krijg je te maken met verschillende manoeuvres. Dit kan tijdens het varen zijn, maar ook voor en na het varen. Je moet je schip kunnen afmeren, je moet de man-overboord- manoeuvre uit kunnen voeren en wat nog meer? Alles wat bij manoeuvres hoort kom je hier in dit artikel tegen, zoals afvaren, afmeren, aankomen, ontmeren en slepen. Het is van belang dat je alles weet voordat je op gaat voor je vaarbewijs, want ook dan komen de verschillende manoeuvres aan bod. Lees je daarom goed in, en maak gebruik van de oefenvragen (en antwoorden) die je aan het einde van het artikel kunt vinden. Je bent zo goed voorbereid als je op wil gaan voor je vaarbewijs!  

 

Inhoudsopgave

 

 

Uitvoeren van een manoeuvre

Als je een manoeuvre uit wil voeren, dan moet je met een aantal factoren rekening houden. Waarom? Omdat de wind en de stroming invloed hebben op het uitvoeren van jouw manoeuvres. De wind kan ervoor zorgen dat je juist van de wal af wordt geblazen en is dat de bedoeling? Je moet weten hoe je in deze situatie moet handelen. Het beste wat jij kunt doen is kiezen voor het aanleggen tegen de stroom of wind in. Als je wil afmeren dan kun jij gebruik maken van de stootwillen. Deze kun je goed herkennen, want het zijn cilindervormige stootkussens en die kunnen voorkomen dat je schip en de kade beschadigd raken als je een manoeuvre gaat uitvoeren. Meestal zijn ze verticaal opgehangen. 

 

De schipper heeft altijd de keuze over hoe dat een manoeuvre uit wordt gevoerd. Dit zal hij dan moeten beoordelen zodat er een vertrouwde manier wordt gekozen die verantwoord en veilig is om uit te voeren. Twee belangrijke manoeuvres zijn aankomen en afvaren en deze worden nu nader toegelicht. 

 

Aankomen

Als je een aanlegplaats nadert dan noem je dat aankomen. Je gaat dan je schip afmeren op de aanlegplaats. Houd daarbij rekening met de wind en met de stroming. Je kunt daarbij te maken krijgen met:

  1. Hogerwal, hierbij word je door de wind van de wal af geblazen. Daarom moet je dan de kade naderen in een hoek van onder de 45 graden. Hang de stootwillen aan de hogerwalkant en maak je voorspring vast. Dan zet je je motor in de vooruit en dan stuur je van de wal af. Het zorgt ervoor dat je achterschip nu naar de wal wordt gedraaid. Ligt je schip nu evenwijdig aan de wal dan kun jij de lijnen verder vastmaken. 
  2. Lagerwal, hierbij word jij door de wind naar de kade toe geblazen. Je moet je schip eerst evenwijdig aan de kade stilleggen en dan bevestig je de stootwillen aan de lagerwalkant. Dan laat je je door de wind naar de kade toe blazen en dan ligt je schip na een tijdje tegen de kade en dan maak je de lijnen allemaal vast. 
  3. Met wind of stroming van voren, dan nader jij eerst de kade onder een hoek van 45 graden en dan maak jij de stootwillen aan de zijde waar je wil afmeren vast. De stroming zal ervoor zorgen dat je schip naar achteren wordt geduwd. Je zou dan de stroom dood kunnen varen. Je maakt dan de voortros vast en dan zet jij de motor uit. Je achterschip gaat nu naar achteren en naar de kade toe en dat gaat vanzelf door de stroming in het water. Als dat klaar is dan maak jij de lijnen vast. 
  4. Met wind of stroming van achteren, dan maak je de stootwillen vast aan de kant waar je wil afmeren en dan vaar jij erg dicht langs de kade. Je vaart dan eerst de stroom dood en dat doe je door wat gas achteruit te geven en dan ga jij de achtertros vastmaken en dan zet jij de motor uit. Je voorschip beweegt nu dankzij de stroming van het water naar voren en dus naar de kade toe. De lijnen maak je vast als dit klaar is.  




Afvaren

Het gaat over het losmaken (ontmeren) en wegvaren van de kade als je wil afvaren. Dan heb je ook weer te maken met:

  1. Hogerwal, je moet hierbij bij je achterschip eerst een extra stootwil bevestigen. Dan maak jij de voorspring los en dan de voortros. De wind zal er nu voor zorgen dat de boeg van het schip van de kade weg wordt geduwd. De andere lijnen kun je nu losmaken en dan zet je de motor aan en dan kun jij een stukje achteruit varen. Vervolgens vaar je vooruit weg. 
  2. Lagerwal, je bevestigt eerst aan de boeg nog een extra stootwil. Je mag nu alle lijnen losmaken maar de voorspring nog niet! Je gaat nu sturen in de richting van de kade en dan zal je een klein beetje gas vooruit moeten geven. Je achterschip gaat nu weg van de kade en als deze er ver genoeg vanaf is dan maak jij de voortros los en moet je een stukje achteruit varen. Dan zet je de motor aan en dan vaar je in zijn vooruit weg. 
  3. Wind of stroming van voren, je bevestigt eerst een extra stootwil bij het achterschip. Je maakt alle lijnen los alleen de achterspring nog niet. De boeg van het schip gaat weg van de kade door de stroming. Als deze boeg dan ver genoeg weg is van de kade dan mogen de andere lijnen los worden gemaakt en dan zet je je motor aan en dan vaar je in zijn vooruit weg. 
  4. Wind of stroming van achteren, je moet bij de voorspring eerst een extra stootwil bevestigen. Dan maak je alle lijnen los alleen de voorspring nog niet. Het achterschip komt nu los van de kade en dat komt door de stroming. Is je achterschip nu ver genoeg van de kade af dan mogen de andere lijnen los worden gemaakt. Dan zet je de motor aan en dan vaar je vooruit weg. 

 


Oversteken met stroming

Als je wateren met stroming wil oversteken, dan moet je goed opletten en rekening houden met de stuurafwijking in de stroming zelf. 

 

Slepen

Zie je dat een ander schip problemen heeft? Dan moet jij volgens het Wetboek van Koophandel hulp en assistentie verlenen. Soms moet je dan een pechschip slepen. Je kunt deze slepen door:

  1. Een lange lijn te gebruiken. Het voordeel is dat er een goede afstand is tussen jou en het andere schip en dan kan het schip de klappen van de golven ook beter opvangen. Ook is er een nadeel want je hebt maar weinig controle over het pechschip. 
  2. Twee korte kruislings bevestigde lijnen te gebruiken. Je hebt het voordeel dat je meer controle hebt over het pechschip, maar let op want als er sprake is van hoge golven dan staat er vaak erg veel spanning op de lijnen. 
  3. Het schip langszij te slepen. Dit zorgt voor veel controle! 

 

Beperkt manoeuvreren

Er zijn bepaalde schepen waarbij sprake is van beperkt manoeuvreren. Om een voorbeeld te geven kan een zeilschip niet tegen de wind in varen. Grote vrachtschepen kunnen daarentegen ook geen korte bochten maken (dit heeft met het draaipunt te maken). Daarom moeten de schippers van kleine schepen altijd rekening houden met de beperkingen van andere schepen (zoals duwstellen). 

 

Sommige schepen hebben nog een beperking en dat is de dode hoek van de andere schipper. Het gaat dan over het deel vanaf de boeg tot aan het wateroppervlak dat een schipper vanwege de hoogte niet kan zien en overzien. Grote vrachtschepen kennen dan ook een erg grote dode hoek. Je moet daarom zo ver als mogelijk voor een vrachtschip blijven varen, zodat ze je in ieder geval zien en niet kunnen overvaren. 



 

Vastlopen

Als je gaat varen in ondiep water dan kan er sprake zijn van vastlopen. Zo kan je schip ineens vast zijn gevaren in het zand van de bodem van het betreffende vaarwater. Hoe kom je dan los?

  1. Je moet eerst goed kijken waar dat je vandaan kwam. Je moet ook die kant opvaren om los te kunnen komen. 
  2. Heb jij aan boord een open koelsysteem met een koudwaterpomp, dan is het goed om de motor uit te zetten.
  3. Het kan zijn dat er sprake is van een verandering in het getijde en dat je daardoor vast bent gelopen, dan moet je gewoon wachten op het juiste getijde. Het waterpeil gaat vanzelf stijgen en dan komt je schip weer los.
  4. Als er sprake is van een vlakke romp bij je schip, dan moet je je motor direct uitzetten. 
  5. Je zou met je anker kunnen proberen om je schip los te kunnen trekken. 
  6. Vraag altijd assistentie en hulp aan andere schepen, meestal kunnen zij de sleeplijn gebruiken en je dan lostrekken. 

 

 

Manoeuvres oefenvragen

 

Oefenvraag 1: Als je gaat afmeren aan hogerwal, welke lijn moet je dan als eerste vastmaken?

  1. Voortros
  2. Voorspring
  3. Achterspring 

 

Oefenvraag 2: Als je wind van achteren hebt en je wil dan ontmeren en afvaren, is het dan nodig dat jij een extra stootwil gaat bevestigen?

  1. Ja en dat doe je dan bij de boeg.
  2. Ja dit moet bij de achtersteven.
  3. Nee dat hoeft niet. 

 

Oefenvraag 3: Als jij een ander schip wil slepen bij harde wind, dan heb je te maken met hoge golven. Hoe kun jij dan een ander schip het beste slepen om het goed onder controle te houden?

  1. Je gaat slepen met een lange lijn.
  2. Je gaat slepen met twee korte kruislings bevestigde lijnen
  3. Je gaat langszij slepen. 

 

Oefenvraag 4: Als je een schip hebt met een vlakke romp en ineens ben je vastgelopen. Is het dan mogelijk dat je je schip los gaat varen met de motor?

  1. Ja 
  2. Nee  

 

 

Antwoorden oefenvragen

 

Antwoord oefenvraag 1:

 

Als je gaat afmeren aan hogerwal, dan moet je de voorspring als eerste vastmaken. 

 

Antwoord oefenvraag 2 

 

Als je wind van achteren hebt en je wil dan ontmeren en afvaren, dan is het nodig een extra stootwil te bevestigen bij de boeg.

 

Antwoord oefenvraag 3

 

Als jij een ander schip wil slepen bij harde wind, dan heb je te maken met hoge golven en dan kun je het schip het beste langszij slepen om het schip het onder controle te houden.

 

Antwoord oefenvraag 4

 

Als je een schip hebt met een vlakke romp en je bent vastgelopen dan is het niet mogelijk dat je je schip los gaat varen met de motor. 

 

Nog meer oefenen?

Wil je oefenen om te kunnen slagen voor het vaarbewijs? Doe dan de vaarbewijs cursus van Turbo Vaarbewijs. Met de vaarbewijs cursus kun je tegen een vergoeding levenslang de belangrijkste onderdelen van het vaarbewijs onbeperkt oefenen. Op die manier zorg je er voor dat je beter presteert bij het CBR examen en je zult hoger scoren bij de verschillende onderdelen. Bekijk hieronder 👇 onze trainingspakketten.

 

 

 

 

Reacties
Categorieën