Vaarbewijs oefenen

Vaarbewijs oefenen

Vaarbewijs oefenen is erg van belang als je je vaarbewijs wilt halen. Je moet de vaarregels goed beheersen om je vaarbewijs te kunnen halen. Het is daarom erg belangrijk om genoeg te oefenen, zodat je de vaarregels goed leert kennen en toepassen. Bij turbovaarbewijs.nl kun je vaarbewijs oefenen en je goed voorbereiden om je vaarbewijs te halen. Maak goed gebruik van onze vaarbewijs oefenvragen om jezelf goed te kunnen voorbereiden.

 

 

Inhoudsopgave


  1. Algemene begrippen
  2. Uitrusting
  3. Veiligheid en milieu
  4. Techniek
  5. Voorrangsregels
  6. Lichten en dagtekens
  7. Geluidsseinen, marifoon en radar
  8. Engtes, bruggen en sluizen
  9. Overige vaarregels
  10. Rijnvaartpolitiereglement
  11. Tekens langs de vaarweg
  12. Betonning
  13. Meteorologie
  14. Schroef- en roerwerking
  15. Manoeuvres
  16. Antwoorden

 

Je vaarbewijs halen?

Wil je goed voorbereid zijn voor je vaarbewijs? Haal dan het Vaarbewijs 1 pakket bij ons. Met het Vaarbewijs 1 pakket kun je jezelf goed voorbereiden voor je vaarbewijs. Wie wilt nou niet goed voorbereid zijn?
Klik hier of beneden op de button voor meer informatie.

 

Algemene begrippen

Het is belangrijk om de begrippen te leren kennen. Deze kennis maakt het communiceren en het begrijpen van de regels makkelijker. Er zijn veel begrippen die te maken hebben met de regels voor varen, voorbeelden van belangrijke wetten en regels voor op het water:

 

Vaarbewijs oefenen: Algemene begrippen

 

1. Welk reglement is van toepassing op de meeste binnenwateren?

A. Het SRE

B. Het BPR

C. Het RPR

 

2. Bij welke schepen ben je verplicht om de reglementen aan boord te hebben?

A. Bij kajuitschepen

B. Bij grote schepen

C. Bij alle schepen

 

 

 

Uitrusting

Je uitrusting is een belangrijk onderdeel van je motorboot. Het wordt aangeraden op een motorboot de volgende zaken altijd bij je te hebben:

En voor een snelle motorboot zijn ook deze extra zaken van belang:

  • het registratiebewijs,
  • een reddingsvest voor elk bemanningslid,
  • een brandblusser van minimaal 2 kg,
  • een motor-onderbrekingsknop.

 

Vaarbewijs oefenen: Uitrusting

 

1. Je hebt een klein motorschip. Waaruit moet het kenteken van dit schip bestaan?

A. De naam of kenspreuk van het schip

B. De naam of kenspreuk van het schip en naam van de eigenaar

C. De naam of kenspreuk van het schip en naam en woonplaats van de eigenaar

 

2. Je wilt gaan varen met een klein motorschip. Hoeveel reddingsvesten neem je mee?

A. Een of twee voldoende

B. Een reddingsvest voor elk bemanningslid

C. Geen


Veiligheid en milieu

Als je goed voorbereid bent kun je veilig varen. Daarom is het ook erg belangrijk ervoor te zorgen dat je uitrusting compleet is. Tijdens calamiteiten kun je dan direct handelen.

Als een van de bemanningsleden overboord is gevallen, moet je alle aanwezige reddingsmiddelen in het water gooien. Ook moet je een van de andere bemanningsleden naar de overboord gevallen persoon laten wijzen, zodat je hem of haar niet uit het oog verliest.

Het is altijd belangrijk om ervoor te zorgen dat jij zelf veilig bent tijdens het redden of helpen van anderen. Waarschuw de overige vaart en de hulpdiensten.

Houd bij het varen ook rekening met het milieu. De boeg- en hekgolf (een golf die achter een boot ontstaat door zijn beweging) van je motorboot kan voor overlast zorgen voor de flora en fauna, maar ook voor afgemeerde schepen. Vaar daarom langzamer in de buurt van de oever of afgemeerde schepen. Ook is het zeker niet de bedoeling om vuil water te lozen in het vaarwater!
Voor snelle motorboten geldt dat ze:

  • niet onnodig veel rook(uitlaatgassen) mogen produceren,
  • geen onnodige geluidsoverlast mogen veroorzaken,
  • voorzien moeten zijn van een geluidsdemper op de uitlaat.

 

Vaarbewijs oefenen: Veiligheid en milieu

 

1. Welke drie factoren veroorzaken samen brand?

A. Een brandbare stof, een vonk en zuurstof

B. Water, vuur en lucht

C. Vuur, een vonk en water

 

2. Er breekt brand uit aan boord die wordt veroorzaakt door benzine. Welk blusmiddel gebruik je?

A. Poeder

B. Schuim

C. Beiden kunnen worden gebruikt

 

 

 

Techniek

Voorafgaand aan het varen, tijdens het varen, direct na het varen en als je voor langere tijd afmeert moet je bepaalde dingen controleren en een aantal maatregelen nemen. Er zijn drie verschillende motoren:

  • een benzinemotor,
  • een dieselmotor,
  • een elektromotor(bestaat uit accu’s die je moet opladen).

Een benzine- en dieselmotor moeten gekoeld worden, daarvoor bestaan drie verschillende koelsystemen:

 

Vaarbewijs oefenen: Techniek

 

1. Wat is het voordeel van een elektromotor?

A. Een elektromotor heeft weinig onderhoud nodig

B. Een elektromotor heeft meer vermogen dan andere motoren

C. Een elektromotor maakt veel geluid

 

2. Welk koelsysteem gebruikt geen buitenwater?

A. Een open koelsysteem

B. Een gesloten koelsysteem

C. Een gecombineerd koelsysteem

 

 

 

Voorrangsregels

Bij de voorrangsregels is goed zeemanschap erg belangrijk. Een goed zeeman geeft voorrang wanneer dit moet en medewerking wanneer dit nodig is. Het is belangrijk om aan de goede kant te blijven varen, dat betekent zoveel mogelijk aan de rechterkant van het vaarwater.

Dit zijn de hoofdregels:

  • Een schip dat de stuurboordwal (rechterkant) van een vaarweg of de stuurboordzijde van een betond hoofdvaarwater volgt, heeft voorrang op de overige scheepvaart. Ongeacht of het om kleine of grote schepen gaat.
  • Kleine schepen verlenen voorrang aan grote schepen.
  • Snelle motorboten moeten altijd voorrang verlenen aan alle andere schepen.
  • Bij een engte moeten alle schepen voorrang verlenen aan een schip dat met de stroom mee vaart, ook als dat een klein schip is.
  • Op een aantal vaarwegen kunnen grote schepen toestemming vragen om aan de bakboordzijde (de linkerkant) van het vaarwater te mogen passeren. Ook kleine schepen moeten daarin, als het kan, meegaan. Grote schepen moeten de wens om aan de verkeerde wal te gaan varen ook aan kleine schepen kenbaar maken.

 

Vaarbewijs oefenen: Voorrangsregels

 

1. Zeilschip A nadert motorschip op gestrekte koers. Er bestaat gevaar voor een aanvaring. Wie moet voorrang verlenen?

A. Zeilschip A moet voorrang verlenen aan motorschip B, omdat motorschip B een gestrekte koers stuurboord vaart

B. Zeilschip A en motorschip B moeten elkaar bakboord uitwijken

C. Volgens de volgorde van voorrang moet motorschip B voorrang verlenen aan zeilschip A en naar stuurboord uitwijken

 

2. Zeilschip C en zeilschip D kruisen elkaar koers. Er bestaat een gevaar voor een aanvaring. Wie moet voorrang verlenen?

A. Zeilboot C

B. Zeilboot D

 

 

 

Lichten en dagtekens

Schepen hebben over het algemeen de volgende lichten:

  • een wit nar voren of rondom schijnend toplicht,
  • twee opzij schijnende boordlichten aan stuurboord en bakboord. Het boordlicht aan stuurboord is groen en het boordlicht aan bakboord is rood,
  • een naar achteren schijnend heklicht achterop het schip.

Met een dagteken kan een motorboot laten zien wat voor soort motorboot het is. Ook kan met dit teken een bepaalde boodschap worden doorgegeven aan andere motorboten, zodat ze weten wat de stand van zaken is.


 

Vaarbewijs oefenen: Lichten en dagtekens

 

1. Je vaart in het donker en je ziet in de verte een driekleurenlantaarn in de kleuren wit, rood en groen. Wat voor schip nader je?

A. Een klein zeilschip

B. Een groot motorschip

C. Een vissersschip

 

2. Je ziet een zeilschip dat een kegel met de punt naar onderen voert. Wat betekent dit?

A. Het zeilschip vaart alleen op de zeilen

B. Het zeilschip heeft pech en verlangt assistentie

C. Het zeilschip vaart op de motor en volgt ook de regels die gelden voor motorschepen

 

 

 

Geluidsseinen, marifoon en radar

Via een geluidsinstallatie of toeter geven motorboten geluidsseinen om met elkaar te communiceren. Een kleine motorboot mag alleen de algemene geluidsseinen geven. Grote motorboten mogen alle geluidsseinen geven.

Je moet de geluidsseinen goed kennen, zodat je precies weet welke boodschap de ander wil overbrengen en direct kan handelen als dat nodig is.

Voorbeelden van signalen:

SIGNAALBETEKENIS
1x langAttentie
1x kortIk ga stuurboord
2x kortIk ga bakboord
3x kortIk ga achteruit
4x kortIk kan niet manoeuvreren
Reeks zeer korte stotenIk ga achteruit
4x kort gevold door 1x langVerzoek om medische hulp
Reeks lange stotenNoodsein
Reek van 1x kort gevolgd door 1x lang (ononderbroken voor minimaal 15 minuten).Blijf weg-sein. Ga zo snel mogelijk weg van het schip dat dit sein geeft!
1x lang gevolgd door 1x kort gevolgd door 1x lang.Verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug of sluis.

 

Via een marifoon (een VHF-radio) kunnen schepen met elkaar communiceren. De marifoonplicht geldt alleen voor grote schepen, een klein schip is niet verplicht een marifoon aan boord te hebben. Kleine schepen met een radar aan boord moeten wel een marifoon aan boord hebben.

Als er een marifoon aan boord is, is het verplicht een marifoonbedieningscertificaat te hebben en een registratiebewijs van de marifoon aan boord te bewaren. Voor schepen, zowel groot als klein, die een marifoon aan boord hebben, geldt een uitluisterplicht indien bord B.11 dit aangeeft.

 

Vaarbewijs oefenen: Geluidsseinen, marifoon en radar

 

1. Je kunt niet meer manoeuvreren en er dreigt gevaar. Je geeft het ‘’ik kan niet manoeuvreren’’ – sein. Welke combinatie van stoten hoort bij dit sein.

A. 1x lang

B. 4x kort

C. 1x kort gevolgd door 1x lang

 

2. Je vaart met een schip dat uitgerust is met radar. Geldt er nu een marifoonplicht?

A. Ja, altijd

B. Ja, maar alleen als ik vaar op een waterweg genoemd in bijlage 9 van het BPR

C. Nee

 

 

 

Engtes, bruggen en sluizen

In het vaarwater komen versmallingen voor, zowel natuurlijke engtes als kunstmatige versmallingen, bruggen en sluizen. Bij engtes, bruggen en sluizen wordt de voorrang meestal gewoon geregeld door voorrangregels. Bij bruggen en sluizen staan echter vaak borden en lichten. Als er borden en lichten staan bij een brug of een sluis, dan gelden deze in plaats van de voorrangregels.

 

Vaarbewijs oefenen: Engtes, bruggen en sluizen

 

1. Roeiboot A en motorschip B naderen in tegengestelde richting een engte zonder stroom. Wie moet voorrang verlenen?

A. Roeiboot A heeft stroom mee, dus moet motorschip B voorrang verlenen

B. Volgens de volgorde van voorrang moet roeiboot A voorrang verlenen aan motorschip B

C. Volgens de volgorde van voorrang moet motorschip B voorrang verlenen aan roeiboot A

 

2. Mag je onder een brug een ander schip voorbijlopen?

A. Ja

B. Nee

 

 

 

Overige vaarregels

De maximumsnelheid op het water is 20 km/u. Borden kunnen aangeven dat er een lagere maximumsnelheid geldt, of dat er helemaal geen maximumsnelheid geldt. Bij het ankeren moet je rekening houden met wind, stroming, de diepte van het vaarwater en de lengte van de ankerlijn. Daarnaast moet je ook rekening houden met krabben en gieren. Bij krabben graaft het anker zich niet in de bodem, maar schraapt het er slechts overheen. Gieren betekent het heen en weer bewegen van het schip door wind of stroming.

Je mag alleen keren als je zeker weet dat je dit kunt doen zonder gevaar of hinder voor de andere scheepvaart. Soms zijn er speciale plekken waar je kunt keren. Zo’n plek wordt aangegeven met het bord E.8. Staat echter het bord A.8 naast de vaarweg, dan is keren verboden.

Schepen mogen over de andere wal varen als ze dit aangeven. Een schip dat over de andere wal wil varen (de schepen passeren elkaar dan stuurboord aan stuurboord) toont aan de rechterkant van de kajuit of stuurhut een vierkant blauw bord met een witte rand. Het andere schip antwoordt hierop door ook het vierkante blauwe bord met de witte rand te tonen.

 

Vaarbewijs oefenen: Overige vaarregels

 

1.Je vaart op een binnenwater. Je ziet geen bord dat een maximumsnelheid aangeeft. Wat is de maximumsnelheid op dit binnenwater?

A. 20 km/u

B. 30 km/u

C. 40 km/u

 

2. Je wilt ankeren. Waar moet je rekening mee houden?

A. De stromingen in het water

B. De stroming in het water en de wind

C. De stroming in het water, de wind en de lengte van de ankerlijn

 

 

 

Rijnvaartpolitiereglement

Het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) is het reglement dat geldt op de rivier de Rijn. Het RPR geldt op de Rijn, in plaats van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Het RPR geldt voor de gehele Rijn in Nederland, zowel de boven-Rijn als de Neder-Rijn, en voor de Waal, het Pannerdensch Kanaal en de Lek.

Het RPR kent andere begrippen vergeleken met het BPR. Het RPR kent geen definitie van een groot schip. Ook zijn sommige regels net iets anders, zoals bijvoorbeeld:

  • de minimumleeftijd voor het sturen van een motorboot is 16 jaar,
  • de stuurman moet vanuit de kajuit of stuurhut alle geluids- en lichtseinen goed waar kunnen nemen,
  • bij slecht zicht moeten alle schepen gebruik maken van een radar.

Bij de voorrangsregels zijn ook verschillen, zoals bijvoorbeeld:

  • grote schepen hebben altijd voorrang op kleine schepen,
  • een klein schip dat een gestrekte koers stuurboord vaart moet hier wel voorrang  verlenen aan een groot schip,
  • een klein schip dat de stroom mee heeft bij een engte moet wel voorrang verlenen aan een groot schip dat tegen de stroom in vaart,
  • een klein schip moet hier wel voorrang verlenen aan een snelle schip.

 

Vaarbewijs oefenen: Rijnvaartpolitiereglement

 

1. Op welke rivieren is het RPR van toepassing?

A. De Neder-Rijn, de Boven-Rijn en het Amsterdam-Rijnkanaal

B. De Maas. De Neder-Rijn en de Waal

C. De Boven-Rijn, de Neder-Rijn en de Lek

 

2. Wat is het maximale alcoholpromillage voor een bemanningslid dat het schip bestuurt?

A. Geen maximum

B. 0,2 promille

C. 0,5 promille

 

 

 

Tekens langs de vaarweg

Langs de vaarweg kom je verschillende verkeerstekens tegen. De verkeerstekens zijn ingedeeld in zeven categorieën (A t/m G):

Peilschalen langs de vaarwegen geven de actuele waterstand aan. Tips voor het aflezen van een peilschaal:

  • lopen de getallen op de peilschaal van boven naar beneden op, dan staat het water onder NAP(Normaal Amsterdams Peil).
  • lopen de getallen op de peilschaal van boven naar beneden af, dan staat het water boven NAP.
  • bij een peilschaal wordt de waterstand aangegeven in decimeters.

Bij bruggen staat vaak een omgekeerde peilschaal. Op deze peilschaal kun je gemakkelijk de doorvaarhoogte van de brug aflezen. De peilschaal is verdeeld in gele en zwarte blokken, elk blok staat gelijk aan 1 meter.

 

Vaarbewijs oefenen: Tekens langs de vaarweg

 

1. Wat betekent dit bord?

A. Verboden motorschepen

B. Verboden kleine schepen

C. Verboden voor snelle motorboten

 

2. Wat betekent dit bord?

A. Verplichting om de bakboordzijde van het vaarwater aan te houden

B. Verplichting om de stuurboordzijde van het vaarwater aan te houden

C. Verbod om aan stuurboordzijde te gaan varen

 

 

 

Betonning

Betonning in het vaarwater markeert de vaarweg, splitsingen en gevaren. Om het vaarwater te markeren, vind je tonnen aan de linker- en rechterkant van het vaarwater. Wat de linkerkant en de rechterkant van een vaarwater is, hangt af van de betonningsrichting. De betonningsrichting sluit aan bij de stroomrichting van het water: van berg naar zee.

Een ingang van een haven of een zijvaart wordt aangegeven door speciale tonnen. De rechteroever van de ingang van een haven of een zijvaart wordt gemarkeerd door een rood-wit gestreepte paal met als topteken een rode cilinder. De linkeroever wordt gemarkeerd door een groen-wit gestreepte paal met een groene kegel met de punt naar boven als topteken.

 

Vaarbewijs oefenen: Betonning

 

1. Je ziet het markeringsteken. Wat geeft deze ton aan?

A. De hoofdvaarweg

B. Een gevaar in de vaarweg

C. Ander bruikbaar vaarwater voor pleziervaart

 

2. Wat geeft deze boei aan?

A. Het midden van het vaarwater

B. Een losliggend gevaar in het water

C. Verboden gebied om in te varen

 

 

 

Meteorologie

Lucht heeft gewicht. Dit noemen we luchtdruk en meten we in hectopascal (hPa). Luchtdruk kun je aflezen op een barometer. Verschillen in de luchtdruk zorgen voor weersveranderingen.

Op een weerkaart staan lijnen tussen punten met een gelijke luchtdruk, deze lijnen van gelijke druk heten isobaren. Hoe dichter deze lijnen bij elkaar liggen, hoe meer wind je kunt verwachten. Liggen de isobaren vrij ver uit elkaar, dan is er weinig wind.
De isobaren bewegen zich rond de kern van het luchtdrukgebied. Bij een hogedrukgebied (H) is de luchtdruk relatief hoog en waait de wind rechtsom naar de kern van het hogedrukgebied. Bij een lagedrukgebied (L) is de luchtdruk relatief laag en waait de wind linksom naar de kern van het lagedrukgebied.

Uit de verandering in de luchtdruk kun je weersveranderingen afleiden. Daalt de luchtdruk, dan is er slecht weer op komst. Stijgt juist de luchtdruk volgens de barometer, dan is er mooi weer op komst.

 

Vaarbewijs oefenen: Meteorologie

 

1. De isobaren liggen dicht bij elkaar. Wat kun je verwachten?

A. Weinig wind

B. Veel regen

C. Harde wind

 

2. De luchtdruk daalt. Wat betekent dit voor het weer?

A. Het weer zal waarschijnlijk verslechteren

B. Het weer zal waarschijnlijk verbeteren

C. De daling van de luchtdruk beïnvloedt het weer niet

 

 

 

Schroef- en roerwerking

Er zijn vier typen aandrijving:

  • vaste schroefas: de schroef is vastgemaakt aan het schip en beweegt niet. Je stuurt door middel van een roer. De motor bevindt zich binnenboord
  • buitenboordmotor: de motor is bevestigd aan de buitenkant van het schip. De schroef zit aan de buitenboordmotor en je stuurt dus met de buitenmotor
  • hekaandrijving: de schroef is vastgemaakt aan de achterkant van het schip en beweegt. Je stuurt met de schroef. De motor bevindt zich binnenboord
  • waterstraalaandrijving: het schip wordt aangedreven door een waterstraal. Je stuurt door de waterstraal naar links of naar rechts te bewegen

De werking van de schroef zorgt voor een wieleffect: het gebogen schroefblad duwt het schip niet alleen vooruit of achteruit, maar ook zijwaarts. Draait de schroef vooruit en rechtsom, dan heb je een afwijking naar links. Draait de schroef vooruit en linksom, dan heb je een afwijking naar rechts. Je verhelpt dit door een beetje tegen te sturen.

Het wieleffect bij het achteruit varen is veel sterker. Maar let op: een schroef die vooruit rechtsom draait, draait achteruit linksom. Door het wieleffect krijgt het achterschip een afwijking naar links. Draait de schroef vooruit linksom, dan draait de schroef achteruit rechtsom en krijgt het achterschip een afwijking naar rechts.

Bij schepen met een vaste schroefas zit de schroef voor het roer. De schroef stuurt het water naar het roer en dit water oefent krachten uit op het roer. Dit noemen we roerdruk. Deze roerdruk heeft een sturend en een remmend effect. Door het roer te bewegen, stuur je het schip in de gewenste richting. Het bewegen van het roer remt het schip bovendien af.

 

Vaarbewijs oefenen: Schroef- en roerwerking

 

1. Wat is het voordeel van een klapschroef voor zeilschepen?

A. Minder weerstand van de schroef als je de motor niet gebruikt

B. Minder weerstand van de schroef als je de motor wel gebruikt

C. Meer weerstand van de schroef

 

2. Als de schroef rechtsom draait, heb je vanwege het wieleffect bij het vooruit varen:

A. Een afwijking naar rechts

B. Een afwijking naar links

C. Geen afwijking

 

 

 

Manoeuvres

Wind en stroming beïnvloeden het uitvoeren van een manoeuvre, zoals het aankomen en afvaren. Door de wind kun je bijvoorbeeld van de wal af worden geblazen. Leg bij voorkeur aan tegen de stroom of wind in.

Maak bij het afmeren van jouw schip gebruik van stootwillen. Dit zijn cilindervormige stootkussens die voorkomen dat jouw schip en de kade beschadigen.

In het examen staan twee manoeuvres centraal: aankomen en afvaren. Hierbij moet je ook afmeren en ontmeren:

  • Hogerwal: aankomen en afmeren aan hogerwal is lastig, want je wordt door de wind van de wal af geblazen. Zorg daarom dat je onder een hoek naar de kade toe vaart en eerst de voorspring vastmaakt. Bij het afvaren kun je gebruik maken van de wind door het voorschip van de kade af te laten duwen door de wind.

 

  • Lagerwal: aan lagerwal wordt je door de wind naar de kade toe geblazen. Hiervan kun je handig gebruik maken door jezelf bij het afmeren naar de kade toe te laten blazen. Bij het afvaren moet je met behulp van de motor het achterschip van de kade af bewegen. Laat de voorspring daarom wel vast.

 

  • Wind of stroming van voren: bij wind of stroming van voren meer je af op de voortros. Bovendien moet je de stroom doodvaren om stil te blijven liggen ten opzichte van de kade. Bij het afvaren kun je gebruik maken van de stroming. Maak alle lijnen behalve de achterspring los en laat de stroming het voorschip van de kade af duwen.

 

  • Wind of stroming van achteren: bij wind of stroming van achteren meer je af op de voortros. Vaar de stroom dood zodat je stil blijft liggen ten opzichte van de kade. Laat de stroming vervolgens het voorschip naar de kade toe bewegen. Bij het afvaren maak je alle lijnen behalve de voorspring los. De stroming duwt het achterschip van de kade af.

Als jouw schip een boegschroef heeft kun je deze gebruiken om de bovenstaande manoeuvres makkelijker te maken.




 

Vaarbewijs oefenen: Manoeuvres

 

1. Welke lijn maak je als eerste vast bij het afmeren aan hogerwal?

A. De voortros

B. De voorspring

C. De achterspring

 

2. Welke van de onderstaande stellingen is juist?

A. Wind beïnvloed de stopweg van een schip, stroming niet

B. Stroming beïnvloed de stopweg van een schip, wind niet

C. Zowel stroming als de wind beïnvloeden de stopweg

D. Wind en stroming beïnvloeden beide stopweg niet

 

 

 

Antwoorden

Vaarbewijs oefenen: Algemene begrippen

1: B

2: A

 

Vaarbewijs oefenen: Uitrusting

1: C

2: B

 

Vaarbewijs oefenen: Veiligheid en milieu

1: A

2: C

 

Vaarbewijs oefenen: Techniek

1: A

2: B

 

Vaarbewijs oefenen: Voorrangsregels

1: C

2: B

 

Vaarbewijs oefenen: Lichten en dagtekens

1: A

2: C

 

Vaarbewijs oefenen: Geluidsseinen, marifoon en radar

1: B

2: A

 

Vaarbewijs oefenen: Engtes, bruggen en sluizen

1: C

2: B

 

Vaarbewijs oefenen: Overige vaarregels

1: A

2: C

 

Vaarbewijs oefenen: Rijnvaartpolitiereglement

1: C

2: C

 

Vaarbewijs oefenen: Tekens langs de vaarweg

1: B

2: A

 

Vaarbewijs oefenen: Betonning

1: C

2: B

 

Vaarbewijs oefenen: Meteorologie

1: C

2: A

 

Vaarbewijs oefenen: Schroef- en roerwerking

1: A

2: B

 

Vaarbewijs oefenen: Manoeuvres

1: B

2: A




Ook slagen voor je vaarbewijs?

Wil je oefenen om te kunnen slagen voor het vaarbewijs? Doe dan de vaarbewijs cursus van Turbo Vaarbewijs . Met de vaarbewijs cursus kun je tegen een vergoeding levenslang de belangrijkste onderdelen van het vaarbewijs onbeperkt oefenen. Op die manier zorg je er voor dat je beter presteert bij het CBR examen en je zult hoger scoren bij de verschillende onderdelen. Bekijk hieronder 👇 onze trainingspakketten.

vaarbewijs 1 cursus
€ 154,-
€ 97,-
  • Na de aankoop direct toegang
  • life time toegang
  • Onze klantenservice staat voor je klaar
  • Meer dan 361 tevreden klanten gingen u voor

(prijs zal binnenkort weer stijgen)

Twijfel je nog? Geen risico met onze 30 dagen 'niet goed-geld terug garantie'!

''Geweldig, de 12 valkuilen heeft mij heel ver geholpen tijdens het theorie examen voor mijn vaarbewijs. Het e-book geeft heel veel waardevolle informatie, wat heel nuttig zal zijn tijdens het halen van je vaarbewijs.'' 

- Arjen Vermeulen

''Het is me gelukt! Dankzij jouw trainingen heb ik eindelijk mijn vaarbewijs gehaald. Ik heb ook veel aan jouw e-book gehad, de valkuilen waren heel herkenbaar. Bedankt voor de informatie!''
Het pakket b die wij aanbieden om jezelf voor te bereiden op het vaarbewijs
- Marc Verbeek
''Ik heb eindelijk mijn vaarbewijs, ik heb heel veel aan jouw gratis e-book gehad, daar wil ik je voor bedanken. Ik heb gelukkig de valkuilen kunnen voorkomen, wat ook de bedoeling was!''
een foto van een man die een reactie heeft achter gelaten over ons e-book van vaarbewijs
- Joost Groenveld